De fake strijd van de nieuwe elite

Vlak voor zijn ontslag door Zuid-Afrika’s president Jacob Zuma legde voormalig minister van financiën Pravin Gordhan nog aan Evelyn Groenink uit hoe Frantz Fanon, de anti-koloniale denker, al waarschuwde tegen het populisme van de ‘kleinburgerij,’ die na het vertrek van de kolonisten de staat zou overnemen onder het roepen van slogans ‘voor het gewone volk.’ “Ze doen alsof ze de belangen van de armen vertegenwoordigen, maar ze verdedigen slechts hun eigen belang,” had de minister Fanon geciteerd. “In werkelijkheid gaan de armen er door hun toedoen nog meer op achteruit.” Gordhan’s ontslag door Zuma volgde enkele weken na het interview dat zij met hem had.

‘We moeten het gewoon afpakken!’ De handen van onze oude vriend Mitchell grijpen in de lucht. Zijn ogen staan woest. ‘De bedrijven, het land, de banken. Afpakken! Weg met die witte bazen, net als in Zimbabwe en Mozambique!’ Ja, want dat werkte daar ook zo goed, wil ik zeggen, maar het lukt me niet om er een woord tussen te krijgen.

Mitchells toon wordt wel treuriger, reflectiever, als hij vertelt over de vele keren dat hij in zijn leven tegen witte muren aanliep, vanaf de dag dat hij zijn zoontje in het zwembad moest uitleggen dat de grote glijbaan er voor andere kinderen was en niet voor hem, tot die keer dat een witte baas hem uitlegde dat het geadverteerde salaris van tweeduizend rand alleen voor witten was en dat een bruine accountant niet meer dan vijfhonderd kon verwachten. ‘En ik had in gedachten van die tweeduizend rand al van alles gekocht voor mijn gezin.’ Je hebt er een trauma van, knik ik, me meteen realiserend dat uit mijn mond ook dit weer paternalistisch klinkt. Zijn gezicht staat strak: ‘Het is geen trauma. Het is razernij.’ Dan: ‘Ik weet wel wat jullie nu willen zeggen. Dat wij zwarten de hele boel zullen ruïneren. En wat dan nog? Dan gaan we maar terug naar de jungle. Daar zijn we tenminste gelijk.’ Daarna valt hij stil en neemt afscheid. Op straat zien we dat hij wegrijdt in een Porsche.

De ‘bee’ die BEE heet

Die nacht denk ik aan David Ndwendwa, de vader van een vroeger schoolvriendinnetje van mijn dochter. Destijds, ruim tien jaar geleden, waren hij en zijn vrouw Caroline bezig geweest met pogingen om een internetcafé op te zetten in hun township, Tembisa. Hij had me er enthousiast over verteld: iedereen in de buurt had al een email-account en Facebook, maar geen toegang tot internet, dus wat kon er misgaan, had hij uitgeroepen. Helaas, en dat was natuurlijk een probleem, had hij geen investeringskapitaal. Op de vraag of hij steun ontving van een instantie voor ‘black economic empowerment’ ofwel BEE had hij geantwoord dat hem dat helaas steeds niet lukte. De ene keer deugde zijn bedrijfsplan niet, de volgende keer had hij niet de vereiste expertise, dan weer kreeg hij – zoals dat gaat in de wereld van de subsidieaanvragen – geen geld omdat hij niet al geld had. ‘Die BEE begint steeds meer op een echte bee te lijken die om je heen zoemt zonder dat je hem te pakken kunt krijgen’, had hij verzucht.

Onze dochters zijn nu groot en ik heb de Ndwendwa’s al jaren niet meer gezien. Maar als ik hun namen, woonplaats en sleutelwoorden als ‘internet’ en ‘kleinbedrijf’ door Google gooi, komen ze direct naar boven als onderwerp van een faillissementsaanvraag.

 ‘De verbetering van de economische positie van de zwarte bevolking gaat helaas erg traag’, legt een bevriende econoom uit die verbonden is aan het ministerie van Handel en Industrie, dat een aantal BEE-programma’s runt. ‘Zo’n man komt uit een familie die generaties lang bezitloos is geweest. Hoe krijgt hij ineens expertise, connecties, zakelijke ervaring – om nog maar te zwijgen van kapitaal?’ De website van het ministerie toont een honderdtal initiatieven die blijkbaar wel met geschikte bedrijfsplannen kwamen en nu gesteund worden: niet veel voor een land met ruim 50 miljoen inwoners.

Tycoons en potplanten

Vóór 1994 had je in de jungle-economie van de townships, behalve kleine kruidenierswinkels, wel al een aantal machtige zwarte zakenlieden: taxibazen, kapsalon-tycoons en shebeen queens bevochten er hun markten op Wild West-manier, met bedrijfsplannen die neerkwamen op pakken-wat-je-pakken-kunt. Maar met het aan de macht komen van het ANC waren het niet zij die de nieuwe economische elite werden. Die plek werd ingenomen door ANC-coryfeeën die gretig opgenomen werden in de directiekamers van witte kapitalisten die zo meer kans maakten op staatscontracten. De investeringsbank Johnic scoorde in 1996 bijvoorbeeld met de aanstelling van Cyril Ramaphosa, toen oud-vakbondsleider en onderhandelaar bij het CODESA-overleg, nu vice-president. Anderen volgden.

Maar de voorraad ANC-politici die managementervaring hadden en die zich met succes staande konden houden in het witte old boys network was eindig. Terwijl de kroeg- en taxibazen uit de townships het ‘ondernemerschap’ op de harde manier hadden geleerd, waren de ANC’ers vooral politieke activisten geweest. Ze hadden in ballingschap in een Umkhonto we Sizwe-kamp gebivakkeerd, iets gestudeerd in Moskou of gedichten geschreven: niet bepaald een voorbereiding op het besturen van complexe instanties.

Diegenen onder hen die wel zulke kwaliteiten bezaten, hadden het ANC niet nodig om aan een aanstelling te komen, of zaten om andere redenen niet te wachten op een dikke maandelijkse cheque als, zoals het al snel heette, ‘potplant’. Het is wellicht niet geheel toevallig dat Herman Mashaba, grondlegger van een succesvol haar- en make-upmerk voor zwarte vrouwen en nu burgemeester van Johannesburg, de politiek in ging als kandidaat van de nog steeds grotendeels wit-liberale oppositiepartij DA, en niet van het ANC.

Maar ook de ‘potplanten’ wilden al snel meer. In het eerste decennium van 2000 begonnen zij zich te verenigen, wat in 2011 uitmondde in de stichting van de Black Business Council. Hun strategie: het bouwen en verstevigen van een politiek bondgenootschap met de ANC-regering. Hun doel: overheidscontracten – niet als ‘front’ van een wit bedrijf, maar helemaal voor zichzelf alleen.

Hun lobby had succes. De slogan ‘radicale economische transformatie’ werd in februari tijdens zijn State of the Nation-toespraak door niemand minder dan president Jacob Zuma zelf tot zijn nieuwe project verklaard.

De vrienden van Zuma

‘Wij willen radicale economische transformatie, precies zoals de president het heeft gezegd’, zegt George Sebulela, secretaris-generaal van de Black Business Council, strijdbaar. ‘We zijn niet tevreden met de huidige 30 procent [quota overheidsgeld dat uitgegeven moet worden aan door zwarte bedrijven aangeboden diensten, EG]. De regering heeft per jaar 600 miljard Rand [40 miljard Euro, EG] te verdelen. 30 procent is niet radicaal. Daarom zeggen wij: 51 procent.’ Als ik vraag of er wel genoeg zwarte capaciteit is om meer dan de helft van alles wat een overheid nodig heeft – van computers tot waterleiding – te leveren, zegt Sebulela jazeker, en hij herhaalt het nog eens: ‘We staan volledig achter de president.’

De werkelijkheid van de staatscontracten laat vooral de laatste paar jaar echter met regelmaat een ander plaatje zien. Bevriende zakenlieden rondom Jacob Zuma ‘ruïneren de boel’, om Mitchells woorden te gebruiken, inderdaad. Krantenkoppen als ‘Bankroet Waterleidingzaken’, ‘Spoorwegen verkwisten 14 miljard rand’ en ‘Corruptie bij South African Airways kost 19 miljoen rand per dag’ zijn dagelijkse kost in het Zuid-Afrika van vandaag.

Het lijkt af en toe wel of Zuma incompetente bestuurders prefereert. Want in de top van South African Airways (SAA), Transnet, het defensiebedrijf Denel en andere staatsbedrijven werden de afgelopen drie jaar steeds weer goede managers vervangen door blunderende loyalisten. Ook in het laatste schandaal rond een zelfs door het Constitutionele Hof illegaal verklaard contract voor de distributie van kinderbijslag en pensioenen staat de president pal achter een door diezelfde rechtbank ‘volkomen incompetent’ genoemde minister.

Of dat nu expres is of niet – boze tongen zeggen: incompetentie is een vereiste, want chaos maakt stelen makkelijker – president Zuma staat erom bekend dat wat hem betreft vriendschap boven alles gaat. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom George Sebulela van de Black Business Council zo vaak herhaalt dat hij ‘pal achter de president’ staat.

Vrienden met de president kun je worden als je betaalt. ‘De president staat open’, zegt pr-vrouw Busi Mahlobo, die bijeenkomsten met de president organiseert. ‘Ik kan best iets regelen.’ Ik vraag of dat ook kan zonder 750 000 rand te betalen voor een tafel bij een diner waar Zuma aanzit, zoals kortgeleden bij zo’n evenement in de sjieke Oyster Bar in Umhlanga in KwaZulu-Natal, Zuma’s thuisbasis. ‘Tsja’, twijfelt Mahlobo, ‘als je me schrijft met een aanbod zal ik zien wat ik kan doen.’ Ze legt de telefoon neer als ik vraag waar dat geld eigenlijk naartoe gaat, maar via bekenden uit KwaZulu-Natal hoor ik later dat dat de Jacob Zuma Foundation was.

Nog een goede vriend van Zuma is Mzwanele Manyi (vroeger Jimmy Manyi geheten, maar die ‘slavennaam’ heeft hij afgezworen net als zijn tamelijk onsuccesvolle verleden in het wit-kapitalistische bedrijfsleven), tot voor kort beleidshoofd van de Black Business Council, die de hele dag pro-Zuma-tweets de wereld in stuurt. Het heeft hem in kringen van Zuma-critici, die tevens hebben opgemerkt dat er tientallen ‘bots’ zijn die zijn propaganda retweeten en die vermoeden dat hij voor al dat werk betaald wordt, de bijnaam ‘Executive Director of ANC-Paid Twitter’ opgeleverd. Manyi is campagneleider voor radicale economische transformatie en aanvoerder van de propagandastrijd tegen ‘de vijand’: het ‘witte-monopoliekapitaal’.

Maar die strijd heeft Manyi, zo lijkt het, niet zelf bedacht. En Zuma ook niet. De Sunday Times meldde in maart dat de propagandacampagne tegen het ‘witte-monopoliekapitaal’ begin vorig jaar ontstond ten kantore van het bedrijf van een familie die zeer goed met president Zuma bevriend is: de Gupta’s. De Gupta’s zijn goed, want bruin en Indiaas en dus anti-imperialistisch, luidt de redenering. Dat maakt de Gupta’s hét vehikel voor Zuma’s ‘radicale economische transformatie.’

Het Gupta-imperium zit al in de lift sinds 2010, een jaar na Zuma’s aantreden als president. Toen gaf de Independent Development Corporation, een overheidsinstantie, de Gupta’s een fikse lening voor de aankoop van een uraniummijn. In 2013 werd geld van staatsomroep SABC gebruikt ter subsidiëring van een nieuw mediabedrijf van de Gupta’s, die vervolgens hun tv-kanaal ANN7 en krant The New Age zouden inzetten voor regeringsvriendelijk nieuws. Twee jaar later ging het staatsbedrijf Denel (defensie) zomaar – zonder de daarvoor benodigde toestemming van het ministerie van Financiën – een joint venture aan met een bedrijf, VR Laser, van een Gupta-zakenpartner en in januari 2016 hielp Zuma’s nieuwe mijnminister Mosebenzi Zwane – overigens een goede bekende van onze oude vriend Mitchell – bij de aankoop door de familie van een Glencore-mijn, waarmee de Gupta’s in een klap de leverancier werden van het nationale elektriciteitsbedrijf Eskom.

Wie zich afvraagt waarom de Gupta’s zoveel staatseigendom in de schoot geworpen krijgen, doet er goed aan het organogram te bekijken dat vorig jaar door het weekblad Mail & Guardian werd gepubliceerd, met daarin de portretten van tegen de twintig Zuma-familieleden en vazallen die privé- en staatsbedrijven leiden in wat nu in de wandeling het Zupta-imperium heet.

Helaas voor hen ontbreekt echter nog de kroon op het nieuwe netwerk: een Zupta-minister van Financiën, die de inhoud van de staatskas royaal en geheel ten dienste zal stellen van de radicale economische transformatie. Die nieuwe minister had Zuma-loyalist Des van Rooyen (die, in tegenstelling tot wat zijn achternaam suggereert, zwart is) moeten worden. Maar die aanstelling, aangekondigd op 9 december 2015, ging niet door: investeerders, bedrijfsleven, critici, oppositie, media en zelfs ANC-leiders en -veteranen lieten met elkaar zo’n oorverdovend ‘nee’ horen dat Zuma datzelfde weekend nog een stap terug moest doen. Waardoor Pravin Gordhan, na eerst verwijderd te zijn, nu weer minister van Financiën is in een kabinet waarin een machtige factie hem wel kan schieten.

Het was ‘begin 2016’, kort na deze nederlaag van Zuma dat, zo schreef de Sunday Times in maart, ten kantore van de Gupta’s en met behulp van hun ironisch genoeg wel zeer wit-kapitalistische Londense pr-firma Bell Pottinger, de term ‘white monopoly capital’ (WMC) bedacht werd als, om met Mzwanele Manyi te spreken, ‘de focus van het vijandbeeld’. De campagne zou, zo schreef de krant, zijn pijlen vooral richten op ‘WMC-aandeelhouder’ Pravin Gordhan, die, zo heette het, neoliberaal was en dus verantwoordelijk voor de nog steeds voortdurende witte uitbuiting. De Sunday Times citeerde een anonieme bron bij Bell Pottinger die zei dat twee door Manyi geleide organisaties, het Progressive Professionals Forum en de Decolonisation Foundation, alsook anderen, door de Gupta’s betaald werden om deze campagne te voeren. (Vlak na deze onthulling maakte de Black Business Council bekend dat Manyi zijn functie als beleidshoofd met onmiddelijke ingang had neergelegd.)

Manyi ontkent de aantijgingen echter. Hij heeft gerechtelijke stappen wegens smaad aangekondigd tegen de Sunday Times.

‘We hoeven niet verrast te zijn dat dit gebeurt’, zegt Pravin Gordhan kalm. ‘Frantz Fanon beschreef al hoe, na het afdruipen van de kolonisten, de kleinburgerij zich zal opwerpen als populistische nieuwe leiders van “het gewone volk” en zal proberen de staat over te nemen onder het roepen van allerlei slogans. Tot detriment van datzelfde volk. We moeten daar pal tegen staan.’ De beschuldiging dat hij ‘neoliberaal’ zou zijn wijst hij af. ‘Neoliberalisme betekent deregulatie, privatisering, het overlaten van de staatshuishouding aan de vrije markt. Wij willen een sterke overheid die de bevolking water en elektriciteit kan garanderen, de voorwaarden kan scheppen voor werkgelegenheid en een minimumloon, die echte zwarte ondernemers steunt. Het zijn juist de leuzen-schreeuwers die de overheid verzwakken.’

Op 30 Maart 2017 ontsloeg het network Gordhan en zijn deputy Mncebisi Jonas (de gerespecteerde directeur-generaal van Financien, Lungisa Fuzile, nam kort daarna ontslag); de sleutel tot de schatkist verdween in de Gucci-vestzak van de altijd in couture geklede nieuwe minister, Malusi Gigaba. De volgende dag verklaarde de kredietbeoordelaar Standard & Poor het Zuid-Afrikaanse investeringsklimaat tot ‘junk status.’

Op vrijdag 9 April togen Zuid-Afrikanen bij tienduizenden de straat op, demonstrerend tegen Zuma en klappend voor Gordhan. In speeches en posters waarschuwden zij tevens tegen een gigantische nieuwe ‘Zupta’ deal voor Russische kerncentrales die het land 1 triljoen Rand (80 miljard Euro) dreigen te gaan kosten. President Zuma en zijn Gupta’s, die immers een uraniummijn bezitten, zijn zeer belust op deze deal, en naar verluidt is de Russische President Putin dat ook. Tijdens zijn ministerschap had Pravin Gordhan de deal echter geblokkeerd met het argument dat die het land een schuldenberg van enkele decennia op zou leveren. De nieuwe minister heeft echter al verklaard dat hij de positie slechts bekleedt “om instructies uit te voeren.”

Zal het verzet het winnen en is Zuma binnenkort weg? Of zal hij erin slagen zijn macht te behouden? Zuid-Afrikanen zijn inmiddels, behalve met protesteren, ook druk bezig om -met bezorgdheid grenzend aan paniek- de prijzen van mais en aardappelen te bespreken op bushaltes en in supermarkten. De armen van dit land eten in veel gevallen al niet meer dan een maaltijd per dag.

Wordt vervolgd.

Evelien Groenink is in haar berichtgeving over het huidige Zuid-Afrika niet neutraal. Ze is getrouwd met voormalig vrijheidsstrijder Ivan Pillay, die in 2015 en 2016 het doelwit was van een door Zuma-critici ‘politiek’ genoemde gerechtelijke vervolging wegens ‘spionagepraktijken’ bij de belastingdienst, waar hij plaatsvervangend commissaris was. Deze vervolging (die gepaard ging met het ontslag van Pillay en anderen) strekte zich uit tot Pravin Gordhan, die de dienst eerder had geleid. De zaak is formeel nog steeds gaande maar de officier van justitie lijkt het onder druk van de vele protesten vooralsnog niet aan te durven om door te zetten. Groeninks verbintenis met Pillay kan een verklaring zijn waarom bepaalde personen die in het artikel genoemd worden niet bereid waren om met haar te praten en anderen juist wel.

Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (www.fondsbjp.nl).

Klik hier om ook het artikel van The dream that lives at a funeral van Evelyn Groenink te lezen.