This short story by Simone Atangana Bekono is one of a recently published anthology Zwart. Afro-Europese Literatuur uit de Lage Landen in the Netherlands. Editors are Ebissé Rouw and Vamba Sherif

Nadat oom Frederick rond vier uur ’s middags, zestien dagen voor kerst, zijn laatste adem had uitgeblazen, werden de voorbereidingen voor zijn begrafenis efficiënt in gang gezet. Bella belde direct erna mijn moeder op. Mijn moeder hing haar jurk aan de deur van haar kledingkast en stelde ons een voor een op de hoogte, terwijl ze de rest van haar outfit verzamelde en ons aanwijzingen gaf voor wat wij aan moesten trekken. De begrafenis verliep zonder een enkel mankement, met dank aan mijn moeder en Bella. Oom Frederick werd herdacht aan de hand van anekdotes over zijn werk als consultant in de ict, waar hij goed in was geweest. We luisterden naar Led Zeppelin en Ramses Shaffy, Bella huilde tijdens haar toespraak, m’n moeder niet tijdens de hare. De foto die op zijn kist stond, omringd door witte en rode bloemen, was ironisch genoeg precies het beeld van mijn oom dat ik me voor de geest haalde als ik aan hem dacht. Het portret was door Bella gemaakt tijdens een familiefeest, waar oom Frederick net iets onbehoorlijks tegen mijn vader aan het schreeuwen was toen Bella de camera omhooghield en ‘Cheese!’ riep. Met z’n borstelige, halfgrijze snor en dat vale bruine jasje met geruite blouse eronder keek oom Frederick met glimmende lippen geschrokken de camera in.

Dit portret was zo verschrikkelijk omdat alles wat er te haten viel aan oom Frederick werd blootgelegd. Mijn oom had last gehad van rode vlekken in z’n nek, soms door de inspanning, soms door de alcohol of van woede. Hij had grote blauwe ogen waardoor het, wanneer hij zich kwaad maakte, leek alsof hij blind was en ijlend in het niets schreeuwde. Ter verdediging van Bella: het was lastig om tijdens een familiegelegenheid oom Frederick op een andere manier vast te leggen dan snauwend tegen m’n vader. Ze maakten standaard ruzie. Mijn vader was nu eenmaal met mijn moeder getrouwd, en mijn moeder was nu eenmaal Fredericks zus, wat betekende dat mijn vader om de haverklap Frederick moest waarschuwen dat hij niet te ver moest gaan met zijn grappen over mijn moeders figuur, intellect, kookkunsten en vaak ook ons, haar kinderen. Niemand wist tijdens welk feest de foto was genomen, maar oom Frederick zag er nog redelijk jong uit. Minder rood aangelopen dan in de laatste jaren van zijn door kanker geteisterde leven, en daardoor krachtiger, enger. Ik kon m’n ogen niet van de foto afhouden. Ik probeerde aan iets anders te denken – vakantiebestemmingen, wijnsoorten, de mentale toestand van Kanye West – maar niets kon op tegen die foto. Als een waarschuwing stond die op de kist. Ons gezin zat tijdens de ceremonie een rij achter het gezin van oom Frederick en Bella. Mijn moeder had uit eigen wil plaatsgenomen op de tweede rij, dus waren we haar voorbeeld gevolgd. De oudste zoons van oom Frederick zaten vooraan naast het gangpad zonder hun moeder, oom Fredericks eerste vrouw, die waarschijnlijk had bedankt voor de gelegenheid. Daarnaast zaten de jongere dochters die hij met Bella had gekregen, en Bella daar weer naast, met haar arm om de stoel van de jongste dochter geslagen.

Mijn moeder keek over de kist heen uit het raam of naar haar nagels, behalve toen ze als laatste spreker kort het woord nam achter de katheder en oom Frederick met afgemeten stem een vredige reis naar het hiernamaals wenste. Na het gedoe aten we cake en dronken we koffie, ons gezin aan de ene tafel, het gezin van oom Frederick aan de andere, en lieten we ons de handen schudden door vrienden, neven en nichten, andere ooms en tantes, bekenden en minder bekenden, collega’s, bazen, voetbalvrienden. Mijn broertje excuseerde zich, waarschijnlijk om ergens een joint te roken, wat me een goed idee leek. Zijn gezicht had op een gegeven moment iets weg gekregen van een in elkaar gestompte vleescombinatie, waar met moeite tanden in waren gepropt om een soort glimlach te suggereren: gespannen, ongelukkig, onwillig. De aderen in de nek van mijn zus leken ook op knappen te staan. Mijn zusje, de jongste, had haar telefoon constant in haar hand om zichzelf van de ongemakkelijkheid af te kunnen leiden. Ikzelf voelde hoe zich in mijn buik maagzuur verzamelde bij elke collega die ons kwam condoleren. Ik voelde me verloren, alsof mijn gezin op een zinkende boot zat waar iedereen naar zwaaide, maar vervolgens zonder actie te ondernemen langs voer.

In de auto op weg naar het huis van oom Frederick en Bella begon mijn broertje te huilen. Het duurde niet lang. Hij begon tijdens het nieuws van vijf uur en eindigde tijdens de weersvoorspelling, alsof hij was vergeten wat de bedoeling was en de stilte wilde doorbreken met iets banaals, in plaats van, zoals de rest van ons, te zwijgen zodat we niets respectloos zouden zeggen. Even dacht ik dat mijn moeder ook zou breken, maar dat deed ze niet. Ik gaf mijn broertje de tissue die ik al sinds het neerdalen van de kist in mijn vuist geklemd hield, waar hij zijn neus in snoot en toen de condens mee van de ramen begon te vegen. Mijn moeder zette de radio uit, alsof ze na zijn korte huilbui genoeg had van alle geluid, en reed de twee-onder-een-kapwijk in waar mijn oom jaren met Bella had gewoond. Ze manoeuvreerde de auto gemakkelijk door de hofjes en kromme straten, zoals ze, besefte ik ineens, vaker moest hebben gedaan dan ik dacht. ‘Sorry,’ zei m’n broertje tegen niemand in het bijzonder nadat mijn moeder de auto voor de deur van oom Fredericks huis had geparkeerd. ‘Maakt niet uit,’ zei mijn zus terwijl ze uitstapte. Ik wisselde blikken uit met de jongste. Mijn moeder belde aan. ‘Moet dit eigenlijk echt?’ fluisterde die. ‘Ik heb geen idee,’ zei ik. Ik wist het ook niet. Niets aan oom Frederick had me ooit het idee gegeven dat hij het zou waarderen als er na zijn dood nog een feest ter ere van zijn leven zou worden gegeven, maar ik kende hem ook niet goed genoeg om te weten wat hij wel had gewild.

Het was niet zozeer een feestje, maar iedereen stond er in de woonkamer van Bella wel op die manier bij. Op een speciale hapjestafel waren koffie, hapjes, bier, wijn en – om oom Frederick te eren – een aantal flessen rum uitgestald. De schuifdeur naar de achtertuin werd gebarricadeerd door die tafel, wat me direct benauwde. De eettafel was er dwars tegenaan gezet, vol met schaaltjes snacks, wijn- en longdrinkglazen, theekopjes en schoteltjes en kleine borden voor het eten.
De woonkamer van Bella en oom Frederick was perfect voor partijtjes, met veel bijzettafeltjes, smakeloze schilde rijtjes en andere onzinnige decoraties die in de aanwezigheid van een grote groep mensen ineens een raar soort gezelligheid opriepen. Bella hield van goudkleurige kitsch en glazen siervazen, wat normaliter een museumachtige sfeer opriep, maar de ruimte nu in het gele licht van de spaarlampen iets betoverends gaf.
Mijn moeder en Bella waren in het begin nog druk in de weer met servetten, vorken en rechauds, maar toen alle tantes en vriendinnen arriveerden, begonnen die te protesteren dat ze wel uitgeteld moesten zijn en namen ze het werk over. Mijn moeder en Bella werden haast met geweld op de bank geduwd, waar ze de rest van de avond ook bleven zitten. De wereld zou naar hen toe komen.
Het duurde een tijdje voor we doorhadden dat mijn moeder zich, te midden van alle beleefde handdrukken, kussen en aanbiedingen voor nog een glas van dit, nog een stukje dat, in een aardig tempo aan het bezatten was. Het viel pas op toen mijn broertje terugkwam na weer een kwartier naar de achtertuin te zijn verdwenen (deze keer met oom Fredericks oudste zoon). Ik was de saladeschaal aan het vullen met vies bestek toen hij schamper lachte en mij aanstootte. Hij wees naar de andere kant van de kamer. Mijn moeder zat tegen Bella aan geleund in het midden van de bank, met een van de flessen rum tussen elleboog en borst geklemd, in zichzelf te mompelen. Met haar vrije hand zwaaide ze alsof ze herhaaldelijk werd lastiggevallen door een opdringerige vlieg. Van een afstand, en als je haar niet kende, leek het net of ze een grappig verhaal hoorde, maar ze sprak tegen niemand en niemand tegen haar. Haar benevelde toestand zorgde ervoor dat mensen discreet de andere kant op keken, om haar heen liepen, vriendelijk lachten terwijl ze naar hun partner seinden dat ze onderhand maar eens moesten gaan voor het hier uit de hand liep.
Mijn moeder dronk nauwelijks. Zelf was ik net een ex-collega van oom Frederick ontvlucht met het excuus dat ik me nuttig moest maken, omdat die vol lof over hem sprak en me daarom mateloos irriteerde. Ik verlangde ook vurig naar een borrel. Het feit dat het een begrafenis was en ik mezelf in de hand wilde houden, had ertoe geleid dat ik koffie had gedronken, thee, een glaasje water, en ik was ervan uitgegaan dat de rest van de familie dat ook zou doen. Ik had nog niet tot me laten doordringen hoe verraden ik me door dit schouwspel voelde, toen ik merkte dat de overgebleven familieleden zich vanuit alle hoeken van de woonkamer ook om de haverklap naar de hapjestafel begaven om glazen alcohol voor zichzelf in te schenken. In het halfuur dat volgde werd het me steeds duidelijker dat mijn familieleden zich als gehypnotiseerd in de richting van de drank bewogen, terwijl ik nootjes en chips bijvulde. Eerst leek het nog een soort spel, alsof oom Frederick helemaal niet dood was maar dit allemaal in scène had gezet om me een loer te draaien, me uit de tent te lokken, om eens goed te kunnen lachen. Maar ze deden het echt. Dit gebeurde werkelijk. Eerst mijn zus, die een wijnglas tot de rand volschonk met rosé en dat in één teug leegdronk voor ze toestond dat een andere oom haar aansprak. Toen m’n oudste neef, met sigaret tussen de lippen en trillende vingers. Daarna m’n broertje, m’n zusje, neef nummer twee, een van de nichtjes.
Ook ik excuseerde me op een gegeven moment van een gesprek om een glas vol te schenken, hoewel ik wist dat ik op dat punt de enige was die nog auto zou kunnen rijden en ons zou kunnen redden van dit broze, nepgouden tafereel. Ik weet nog steeds niet waarom ik ook glazen achterover begon te slaan. Misschien omdat ik het idee had dat als we dan toch een ritueel moesten uitvoeren om de dood van oom Frederick te vieren, ik me daar niet uit een vals gevoel van waardigheid afzijdig van kon houden. Misschien was het feit dat ik mijn vriend had verboden naar de begrafenis te komen een reden om stiekem uit de bocht te vliegen en deze verschrikkelijke dag eens extra destructief af te sluiten.
Alsof het een speelplaatsspel was schonk zowel oom Fredericks gezin als het onze zich om beurten glazen wijn, bier, rum en andere dranken in. Ik was voor de rode wijn gegaan en werd warm, sloom, begon om dingen te lachen die toch echt niet grappig waren en had nauwelijks door dat het publiek begon uit te dunnen, tot we alleen nog maar met de harde kern over waren. Of Bella nog nuchter was toen ze de laatste gast – een buurman of collega – uitzwaaide, weet ik niet. Ik weet niet eens of ze überhaupt met ons mee had gedronken, omdat ze van zichzelf al iets wattigs had, alsof ze nooit helemaal de werkelijkheid meemaakte. Ik kon niet meer nadenken en zag niet meer helder. Alle spanning van de dag, gepaard met de glimlachjes, de herinneringen, had plaatsgemaakt voor een stroperige
staat van zijn waarin ik alleen nog maar kon schenken, drinken en knikken.
Iemand zette muziek aan. Mijn zus deed haar pumps uit en begon sloom op de plaats te dansen, met haar handen op haar brede heupen en haar voeten stampend op de grond. De dreads van m’n broertje hingen voor z’n ogen terwijl hij, met zijn schouder tegen de boekenkast aan geleund, heen en weer wiegde. M’n moeder lag op de bank te lachen en m’n zusje was kwijt. Ik weet nog dat we op een bepaald moment naar elkaar schreeuwden en vloekten over oud zeer, dat Bella en m’n moeder ruziemaakten, dat ik huilde en dat mijn neven alle fotolijstjes die op de vensterbank stonden op de grond kapot gooiden. Alleen de jongste dochters van mijn oom, Bella’s kinderen, kan ik me niet herinneren. Wat ze deden, waar ze waren; of ze misschien met een fles wijn naar boven waren verdwenen, in bed lagen, bij vriendinnen uithuilden. Waren ze überhaupt bij het eten geweest?

Ik weet niet hoe ik uiteindelijk in mijn ouderlijk huis in mijn oude slaapkamer ben beland, met mijn begrafeniskleding
nog aan, mijn haar stinkend naar rook en drank en iets van verf, terpentine?
Ik weet nog wel hoe ik ergens in de loop van die rare, benevelde avond voor een tweede keer in huilen uitbarstte omdat ik zo ontzettend verdrietig was, zo lelijk treurig, verslagen, alsof mijn hele wereld was ingestort nu hij weg was en ik onmogelijk nog ergens geluk uit kon halen. Wat maakte het allemaal nog uit? M’n vader was er niet bij om dit mee te maken. Nu was het echt klaar. Er viel niets te lachen of te huilen of te zeggen nu dit alles gedaan was, de afwikkeling compleet. Er was een fles rum op de grond kapot gevallen en Bella brulde mee met een of ander nummer, haar handen plat op de hapjestafel, vooroverleunend als een gymnaste die elk moment de balk op kon springen. Ik wilde dat het allemaal ophield, dit hele spektakel, en toen ik dus de volgende ochtend wakker werd, in mijn oude bed, met mijn nieuwe rok nog aan, mijn handen stinkend naar terpentine, of spiritus, of iets chemisch in elk geval, leek het inderdaad ook alsof alles opgehouden was.
Terwijl ik sliep was de wereld misschien wel weer in gang gezet, ergens in de nacht was de resetknop weer ingedrukt, maar ze had ongetwijfeld een tijdje op haar gat gelegen. Het kon niet anders dan dat de dingen op een bepaald moment op pauze waren gezet of, op een moment dat ik me door de drank niet meer kon herinneren, ergens door waren onderbroken. Misschien was de wereld gestopt met draaien, en had ze nu zonder dat we het wisten een andere draairichting gekozen. Ik voelde met grote overtuiging dat het zoiets moest zijn geweest.

Image: Simone Atangana Bekono
Simone Atangana Bekono (1991) studeerde in 2016 af aan Creative Writing Artez met een bundeling van gedichten en brieven genaamd hoe de eerste vonken zichtbaar waren. Ze heeft sindsdien gepubliceerd op De Optimist, Samplekanon en in De Gids. Simone werd geselecteerd voor het Slow Writing Lab van het Nederlands Letterenfonds en voor cela, een ontwikkeltraject voor schrijvers en vertalers in zes Europese landen. In november 2017 verscheen haar afstudeerwerk in herdruk bij De Nieuwe Oost (voorheen Wintertuin) in samenwerking met uitgeverij Lebowski. Momenteel werkt ze aan proza dat in romanvorm bij Lebowski zal verschijnen. Simone zit in een talentontwikkeltraject van Productiehuis De Nieuwe Oost.

About Zwart

The anthology Zwart. Afro-Europese Literatuur uit de Lage Landen was launched on 1 February in TivoliVredenburg, Utrecht, the Netherlands.

It’s a collection of stories - fiction and non-fiction - by writers with African roots from the Netherlands and Belgium. The authors’ backgrounds differ in terms of their homeland, culture, and language, but they share a hybrid identity. The included authors in alphabetical order: Simone Atangana Bekono, Neske Beks, Heleen Debeuckelaere, Nozizwe Dube, Clarice Gargard, Dalilla Hermans, Sabrine Ingabire, Kiza Magendane, Ahmad Al Malik, Alphonse Muambi, Hélène Christelle Munganyende, Olave, Nduwanje, Melat G. Nigussie, Seada Nourhussen, Anousha Nzume, Olivia U. Rutazibwa, Vamba Sherif, Babah Tarawally and Chika Unigwe.

Win a copy of Zwart

Thanks to the courtesy of publisher AtlastContact, we are giving away three copies of Zwart. Afro-Europese Literatuur uit de Lage Landen (ed. by Vamba Sherif and Ebissé Rouw).

Specifications

Title: Zwart. Afro-Europese Literatuur uit de Lage Landen
Format: Paperback
Page Count: 208
Language: Dutch
Publisher: Atlas Contact
Publication date: February 1, 2018
ISBN: 9789025451547