De heruitgave van Andrée Blouin’s Afrika, mijn land biedt materiaal voor een diepgaander debat over dekolonisatie. 

Het ontbreekt in marketingteksten zelden aan overdrijvingen. Andrée Blouin, auteur van het onlangs door de Belgische uitgeverij opnieuw uitgebrachte Afrika, mijn land, heet op de flaptekst ‘de moeder van de dekolonisatie’ en in de ondertitel van het boek ‘een zwarte pasionaria’, naar de Spaanse Dolores Ibárruri, die in de strijd tegen dictatuur van Franco een moedige rol speelde.

Recensenten doen er soms nog een schep bovenop. In Le Monde wordt Blouin ‘de enige vrouw die een rol speelde in de dekolonisatie’ genoemd. Daarmee wordt niet alleen een voetstuk opgetrokken maar zo worden tegelijkertijd vrouwen als onder veel meer Taytu Betui, de Ethiopische keizerin onder wier leiding eind negentiende eeuw een Italiaanse invasie werd afgeslagen, Funmilayo Rasome-Kuti, de Nigeriaanse activiste die de Britse koloniale administratie bestreed of Zuid-Afrikaanse activisten als Albertina Sisulu, Ruth First of Winnie Mandela uit het antikoloniale verzetsdossier weggeretoucheerd.

Maar mythevorming in marketing werkt vaak wel. De recente heruitgave van de in 1983 verschenen autobiografie trekt internationaal veel aandacht en ook de Nederlandse vertaling, uitgebracht door het Belgische EPO, is niet aan de aandacht ontsnapt. Het VPRO radioprogramma OVT  voerde een lang gesprek over het boek met de Belgisch-Congolese politicologe en schrijfster Nadia Nsayi terwijl Adriaan van Dis Afrika, mijn land uitgebreid besprak in zijn podcast.  The Black Archives in Amsterdam, tenslotte, wijdt in het kader van de expositie Echoes of In*dependence haar boekenclub op 26 september  aan de heruitgave. En al die aandacht is volkomen terecht.

Blouin vertelt het verhaal van een uit het huwelijk tussen een zwarte Afrikaanse moeder en witte Franse vader geboren métisse die als ‘kind van de zonde’ haar jeugd doorbrengt in tuchthuizen, onder het regime van katholieke nonnen. Eenmaal volwassen en los gevochten van de dagelijkse vernederingen geeft Blouin zich over aan een huwelijk met een witte koloniaal. Die verbiedt haar zwarte moeder de toegang tot hun huis. Als Blouin’s zoontje bezwijkt aan malaria omdat hem kinine wordt geweigerd, is voor haar de maat vol. Ze is, ook als dubbelbloed, slachtoffer van racisme.

Ze verlaat haar eerste man, verdiept zich in de onafhankelijkheidsstrijd die in allerlei Afrikaanse landen naar een hoogtepunt voert. In 1960 ontmoet ze Frantz Fanon, de Martinikaanse psychiater, filosoof en schrijver, tijdens een vrouwenconferentie in Ghana. Deze ontmoeting heeft een blijvende invloed op haar denken. Ze onderschrijft zijn overtuiging dat Afrikaanse landen gezamenlijk moeten optrekken tegen het (westerse) imperialisme. Haar grenzeloze activisme dient in later jaren dan ook de onafhankelijkheidsstrijd in verschillende landen zoals Guinée, Angola en Congo. Evenzeer is ze onder de indruk van Fanons opvatting over solidariteit. 'Hij begreep', schrijft ze, 'dat raciale verschillen van ondergeschikt belang zijn'. Fanon wees Blouin op  witte panafrikanisten die Lumumba omringden, onder wie Luis Lopez Alvarez en Serge Michel.

Politiek testament

In haar memoires haalt Blouin herinneringen op aan deze enerverende jaren. Maar uiteindelijk zet haar Amerikaanse vriendin Jean MacKellar, die tevens haar redacteur is, het mes in delen van het manuscript, zo blijkt uit de epiloog van de nieuwe heruitgave. In de bewerkte versie van 1983 ligt, tot irritatie van Blouin, veel nadruk op haar afkomst als dubbelbloed. Ze zag zichzelf juist minder als een métisse dan als iemand die zich volledig identificeerde met het zwarte verlangen naar zelfbeschikking en vrijheid. Ze had een politiek testament willen afleveren maar uiteindelijk beslaan haar ervaringen in de samenwerking met de Guinese onafhankelijkheidsleider Sekou Touré, haar leidersrol in Le mouvement de solidarité féminine Africaine en haar ondersteuning van Patrice Lumumbu als chef protocol in de geredigeerde versie niet meer dan pakweg een derde van het boek. 

Eigenzinnige opvattingen over wat Blouin ‘verpletterende tribale tradities en de vloek van alcohol’ noemt of de minachting die zij voelt voor ‘de opvattingen van de voorouders’, worden wel aangestipt, maar nauwelijks uitgewerkt. Niet onvermeld blijft dat Blouin door haar koloniale tegenstanders werd uitgemaakt voor communist, in hun optiek “demonen met extra hoofden en benen die ‘s nachts aangroeiden, en die dood en verderf over het land zouden zaaien.” Communist was ze niet, wel wilde zij in haar memoires recht doen aan de solidariteit die de toenmalige Sovjet-Unie betoonde met de strijd tegen de koloniale onderdrukking. Maar ook die passages waren geschrapt.

Aangrijpende epiloog dochter

Blouin verzet zich in 1983 tevergeefs tegen de uitgave van haar bewerkte boek. In de heruitgave slaagt haar dochter Eve er met een aangrijpende epiloog in om alsnog recht te doen aan de drijfveren van haar moeder. Pijnlijk zijn de herinneringen aan de laatste jaren die Andrée in betrekkelijke eenzaamheid in Parijs doorbracht. Ze bezwijkt uiteindelijk aan kanker. 'In een uithoek van het lijkenhuis, in ijzige kou, lag haar lichaam op een brancard – gehuld in witte doeken, als een ijsberg drijvend op zee. (…) Mijn broer Patrick  barstte in tranen uit. Mijn zus Rita ook. Haar trouwe gevolg, haar kameraden in de strijd wachtten in stille bezinning, een verbitterde trek rond de mond.' 

Een zelfde verbittering spreekt ook uit het pijnlijke oordeel dat Blouin in haar memoires velt over de rol van ‘enkele corrupte leiders.’ 'Ze hebben hun volk verraden en doen dat nog steeds met wrede tirannieën die pure waanzin belichamen.'

Afrika, mijn land is het slachtoffer geworden van het paternalistische knipmes van de redacteur. Desalniettemin biedt het boek pregnante, eigenzinnige inzichten aan hen die het dekolonisatiediscours willen betreden zonder voorspelbare platitudes.